Als je niets meer kan doen…

…kun je er altijd bij blijven. Hulpverleners die vanuit een open houding aansluiting vinden bij een jongen of meisje. Dit is van groot belang voor jongeren in de Koppeling, om kleine stappen voorwaarts te maken. Voor Marjan Meijer, gezinsmaatschappelijk werker bij de Koppeling, is werken vanuit ‘presentie’ altijd al een soort tweede natuur geweest. Ze beschrijft een situatie uit de praktijk:

‘Laten we hem Milo noemen. Dit betekent soldaat: een titel die hij mensen toeschrijft als ze iets hebben gedaan waar hij respect en waardering voor heeft. Milo is 17 jaar als hij in de Koppeling zit. Vooral om hem uit het criminele circuit te krijgen, om hem te helpen richting volwassenheid en tools voor de toekomst te geven. Nadat hij de Koppeling verlaat, blijft hij in trajectzorg vanuit de Koppeling. Toch gaat het helaas mis. Hij wordt verdacht van meerdere strafbare feiten, verschijnt niet op zijn zitting en wordt gezocht door de politie.

In die periode belt hij naar de Koppeling en wil mij spreken. ‘Wil jij mij begeleiden?’ vroeg hij toen ik hem aan de lijn had. Ik ken Milo aardig, hij was toentertijd goed bevriend met een jongen die ik bij Young in Prison begeleidde. ‘Ik wil dat wat jullie hebben ook.’ In overleg met mijn collega neem ik de begeleiding op mij, om hem vanuit een goede relatie verder op weg te helpen. Maar Milo’s leven is een puinhoop. Hij belandt in een jeugdgevangenis waar ik hem meerdere keren heb bezocht. Maar zodra hij vrij is, gaat het opnieuw mis. Hij wordt verdacht van beroving en de politie is weer naar hem op zoek. Ondertussen was ik hard aan het werk met hem, we regelden zijn zaken en hadden goede gesprekken over zijn leven en zijn toekomst.

Als je niets meer kan doen… kun je er altijd bij blijven

En nu? Moet ik de goede relatie die ik met hem heb, zijn vertrouwen in mij, dat hij naar me luistert en de kleine stapjes voorwaarts die we maken op het spel zetten door hem aan te geven? Met het risico dat als hij vrijkomt dan nog verder van huis is omdat hij geen contact meer heeft met iemand die hij vertrouwt? Als ik hem niet aangeef, ben ik dan strafbaar? Hoe veilig is hij op straat en voor anderen? Ik wil aan mijn plicht als burger voldoen, maar óók aan die van een professional: er voor hem zijn.

Ik zoek contact met verschillende collega’s, waaronder mijn werkbegeleider, mijn team, een jurist, de directeur van de Koppeling en een psycholoog/psychotherapeut. Zij houden mij scherp en zeggen vooral: ‘Houd de vertrouwensrelatie goed en bemoei je niet met de politie, dan ben je hem kwijt. Werk vanuit die vertrouwensrelatie toe naar een wenselijke situatie voor iedereen.’

Thuis kan Milo niet aankloppen. Zijn moeder mag letterlijk de deur niet voor hem opendoen. Hij komt uit een gezin met heel veel problemen. Vanwege de veiligheid voor zijn broertjes en zusjes is hem de toegang tot zijn huis ontzegd. Toch zie ik potentie in het gezin. Ik stimuleer Milo om zichzelf te melden bij de politie. Het zijn soms grappige gesprekken, maar ook indringend. Het ene moment staat hij op het punt om naar de politie te stappen, om er vlak daarna toch maar weer vanaf te zien. Ik kan niks voor hem betekenen; we kunnen geen nieuwe identiteitskaart aanvragen, de intake voor begeleid wonen zeggen we af. Ik voel me machteloos. Maar als ik niks meer kan doen… kan ik er altijd bij blijven: ik check of hij eten, drinken en een veilige slaapplek heeft en ben 24/7 bereikbaar, al weet hij dat ik niet 24/7 beschikbaar ben.

Milo wordt aangehouden bij een reguliere wegcontrole. Hij belandt in een jeugdgevangenis. Ik houd contact met hem, ga bij hem langs, zorg dat hij genoeg beltegoed heeft om met zijn moeder of mij te bellen en neem kleding mee. Na een paar maanden komt Milo vrij, inmiddels is hij volwassen en woont hij bij begeleid wonen. Binnenkort krijgt hij waarschijnlijk echt zijn eigen woonruimte. Zorg en hulp krijgt hij voorlopig nog wel – een terugval zit in een klein hoekje en zal voor hem grote gevolgen hebben, want er hangt een PIJ-maatregel boven zijn hoofd.

Uiteindelijk wil ik als hulpverlener dat er iets met jongens als Milo gebeurt, waardoor ze bepaald gedrag niet meer vertonen. Dat ontstaat volgens mij alleen maar als een jongen of meisje vanuit een goede relatie bestaansrecht ervaart en iets van je kan aannemen. Een relatie opbouwen en Milo met een open en oordeelvrije houding benaderen, vraagt in allerlei opzichten veel van mij als hulpverlener. Ik weet niet wat er met Milo was gebeurd als ik vanuit de Koppeling niet de ruimte had gekregen te mogen investeren in de relatie met Milo. Ik weet wel dat het belangrijk voor hem is geweest dat ik er altijd voor hem was, zelfs al kon ik niks doen.’

Plaats een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *