Het eigenbelang van jeugdzorgorganisaties in de transitie

Een delicaat onderwerp tijdens het transitieproces: het eigenbelang van jeugdzorgorganisaties. Vooral in de beginfase hebben sommige gemeenten bestaande organisaties bewust buiten beeld gelaten.

Gemeentebestuurders, raadsleden, Tweede Kamerleden, ambtenaren en adviseurs denken dat deze organisaties het eigenbelang voorop zouden stellen. Zelfs nu nog zijn er geluiden dat het goed is om afscheid te nemen van bestaande organisaties. Zij zouden een belemmering vormen voor het nieuwe stelsel. Voor sommigen staan zij zelfs symbool voor een mislukt stelsel. Innovatie verwacht men niet van bestaande organisaties, dus ruim baan voor ‘nieuwe aanbieders’.

Maar wat is dat ‘eigenbelang’ dan? Begrippen als bestendiging, behoud, continuïteit en organisatiegroei gonzen rond. De cliënt en de hulpverlening zouden hieraan zelfs ondergeschikt zijn. Voor jeugdzorgorganisaties en de branche een ingewikkelde en verre van aangename positie. Als reactie gingen de organisaties gehaast verklaringen afleggen dat het hen om de inhoud ging en niet om het organisatiebelang.

Het zorgde voor een vreemde paradox. Jeugdzorg Nederland en haar leden zijn steeds voorstander geweest van een rigoureus integraal nieuw stelsel. Dit stelsel zou vorm krijgen bij de gemeenten.

Deze gedachte is gebaseerd op de inhoud. Een vreemde ervaring dat er met wantrouwen naar de bestaande organisaties werd gekeken. Een warm welkom was toch anders geweest. Het wantrouwen was ook een belemmering om tot een meerjarige overgangsperiode te komen. Gemeenten voelen zich hierdoor immers in hun vrijheid beknot.

Hebben organisaties niet juist een primair belang in innovatieve, effectieve en efficiënte hulpverlening? Bestaat er wel een eigenbelang? De meeste jeugdzorgorganisaties zijn een stichting en hebben geen financiële winstdoelstelling. Dan is er alleen nog de gedachte dat organisaties vooral uit zijn op comfort voor medewerkers, bestuurders en toezichthouders. Sommigen hebben de drive om te groeien. Opmerkelijk feit is dat jeugdzorg-organisaties relatief klein zijn, bijvoorbeeld in vergelijking met GGZ-instellingen, en dat een zekere schaalgrootte juist continuïteit kan waarborgen aan jongeren en hun gezin.

Stel, de gezondheidszorg gaat op de schop. Dan is het toch ondenkbaar dat huisartsen en ziekenhuizen worden gezien als professionals en organisaties die vooral uit zijn op eigenbelang en daarom buiten het proces geplaatst moeten worden?

Wat kunnen wij nog concreet doen? Voorop staat dat jeugdzorgorganisaties toch de relatie met gemeenten zijn aangegaan. We tonen ons als partner in de transitie. We laten zien wat we doen en zijn transparant in onze manier van werken. Gelukkig zijn er ook regio’s waarbij er geen sprake was van wantrouwen naar bestaande jeugdzorgorganisaties. Daar werd de transitie wel mèt instellingen vormgegeven. Toch ben ik bang dat het wantrouwen op veel plaatsen elders nog fors aanwezig is. En dus de komende periode een (contra productieve) rol zal spelen. We moeten dit onder ogen blijven zien.

Daarom is het goed om de discussie over het eigenbelang van organisaties aan te gaan. Waar staat ‘eigenbelang’ voor en wat is dan het ‘eigenbelang’ van organisaties? Is dit ‘eigenbelang’ niet gewoon het zo goed mogelijk helpen van cliënten en dit realiseren met professionele medewerkers? Voor medewerkers is het daarbij erg belangrijk om trots te kunnen zijn op hun werk en hun organisatie. Net zo trots als medewerkers van een bedrijf of gemeente trots willen zijn op hun bedrijf of gemeente.

Wederzijdse erkenning en vertrouwen tussen gemeenten en jeugdzorgorganisaties zijn een basisvoorwaarde om van de transitie een succes te maken. Hopelijk wordt dit onderkend en ontstaat alsnog op veel plaatsen dit nieuwe partnerschap.

Mark Bent
Bestuurder Spirit Jeugd en Opvoedhulp, Amsterdam,
Vice voorzitter Jeugdzorg Nederland

Bron:
www.binnenlandsbestuur.nl, 12-3-2014.

Plaats een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *