Geschiedenis

Sinds 1 januari 2005 heten we Spirit. Deze naam heeft weliswaar geen directe relatie meer met de historie, maar onze organisatie heeft een lang verleden. Zie hiervoor ook de stamboom.

J.L. de Jager schrijft in In Een Ander Thuis (1985): "Wezen zijn er altijd geweest. Gedurende de middeleeuwen en op het platteland tot in de vorige eeuw werden weeskinderen meestal door de overheid of de kerk bij particulieren uitbesteed. Dat ging onderhands of openbaar, bijvoorbeeld tijdens een veiling in een herberg of pastorie, waarbij de kinderen op een rij werden gezet en de omstander die het minste kostgeld vroeg, dus de laagstbiedende, hen mee naar huis mocht nemen. Een zeer vroege variant van gezinsverpleging! In de 15de en 16de en met name in de 17de eeuw ging men er in de meeste steden echter toe over weeskinderen op te vangen in speciale inrichtingen."

Werckelicke hulp

J.Th. Engels beschrijft in Kinderen Van Amsterdam (1989): "De eerste huisjes staan tussen Rokin en Kalverstraat en bieden plaats aan zeven of acht kinderen. Maar wanneer hun aantal in 1553 is uitgegroeid tot 200, is het huis te klein en het geld op. De kinderen zullen het huis moeten verlaten "tenzij dat het bij mijnheeren de Burgemeesteren werckelicke hulp ende assistentie gedaen werdt." Er wordt een huis aan de Kalverstraat gekocht dat doorloopt tot aan het Rokin. Om de nieuwbouw van dit Burgerweeshuis te betalen wordt een loterij gehouden."

De Jager: "Uit de 16de eeuw dateren het Burgerweeshuis en het latere R.C. Maagdenhuis (1570). In de 17de eeuw kwamen daar nog eens bij: het Waalenweeshuis (1631), het Engelsche Weeshuis (1651), het Diaconieweeshuis (1657), het Aalmoezeniersweeshuis (1666), het weeshuis de Oranjeappel (1675), het Doopsgezinde weeshuis (1676), het Luthers weeshuis (1678) en het R.C. Jongensweeshuis (1685)."

Pestepidemieën

Waarom al die tehuizen? Omdat ze nodig waren: Amsterdam was van 30.000 inwoners in 1585 uitgegroeid tot 115.00 inwoners in 1630. In de jaren daarna woedden enkele pestepidemieën die duizenden slachtoffers maakten. Voeg hierbij de Engelse zeeoorlogen en de voortdurende armoede van het gewone volk tijdens de Gouden Eeuw en het is duidelijk dat er grote aantallen wezen moesten worden gehuisvest. De overheid kon het wezenprobleem niet aan en stimuleerde kerkelijke groepen tot het stichten van weeshuizen.

In het gareel

Deze situatie duurde bijna twee eeuwen voort. C.M. Winnubst (Systemen Van Opvoeding In Inrichtingen In Nederland, 1968): "In het begin van de 19de eeuw was er geen gedifferentieerd maatschappelijk werk, doch slechts armen- en wezenzorg welke veelal werd uitgeoefend als kerkelijke en particuliere liefdadigheid. Wanneer er niet voor ouderloze of aan hun lot overgelaten kinderen (vondelingen, kinderen wier ouders in de gevangenis zaten of ziek waren) werd gezorgd, dan werden zij door armbesturen of diaconieën zo voordelig mogelijk uitbesteed aan gezinnen. Daar er volop huisindustrie was, kon men goedkope werkkrachten gebruiken. Controle op de behandeling van de kinderen was er niet. De gestichten, vooral de grotere, waren niet veel meer dan opbergplaatsen voor kinderen (het aalmoezeniershuis 'borg'begin 19de eeuw 2000 kinderen). Van gestichtsopvoeding, gericht op het individuele kind, kon men nauwelijks spreken. De kinderen moesten in het gareel worden gehouden, de straffen waren hard. Bij de overheid kwamen klachten binnen over misstanden in weeshuizen, men had kritiek op de opvoeding. Ook de situatie van kinderen in gevangenissen was niet benijdenswaardig."

Verandering

Vanaf 1850 is er door wetgeving geleidelijk verandering opgetreden. Opmerkelijk is ook de toenemende invloed van pedagogische directies, die het belang van de individuele opvoeding benadrukten. Besturen en directies kregen te maken met de veranderende ideeën in de samenleving, met het 'marktmechanisme' van teruglopende bezetting en een overheid die de tekorten niet aanvulde. Daarnaast ontstonden 'moderne' gestichten die het soms beter deden dan de bestaande.

Opvoeding

In 1905 werden de Kinderwetten aangenomen, waardoor er een Voogdijraad ontstond die het opvoedingsbelang van kinderen moest waarborgen. In 1921 werden de Kinderrechter en de ondertoezichtstelling ingevoerd. Tot ongeveer 1950 bleven de inrichtingen geïsoleerde organisaties die zo modern waren als het bestuur of de directie toelieten. Winnubst: "In het begin van de jaren 50 gaan veel inrichtingen reorganiseren. Men gaat na verkregen rijksgoedkeuring over tot verzorging en opvoeding van voogdijkinderen. We zien dat veelal eerder naar voren gebrachte ideeën algemeen erkend raken: ontplooiing van de eigen persoonlijkheid, vermijden van hospitalisatie, bevorderen van gezinssfeer, co-educatie, contacten buiten bevorderen en differentiatie van aanpak."

Onder invloed van de studies psychologie en de orthopedagogiek ontstaan er inrichtingen die op specifieke problemen of doelgroepen zijn gericht. Dit heeft gevolgen voor de instroom in inrichtingen. Bovendien begint de overheid verdergaande eisen aan de uitkomsten van de hulpverlening te stellen. Niet elke directie is daar op voorbereid. Besturen en directies reageren hierop met het zoeken van samenwerking en fusie.

Bron: Rik van Beijma, december 2004